Uit het onderzoek kwam geen aanwijzing voor verhoogde sterfte. In het rapport worden de volgende conclusies getrokken: De constructie van het eerste Nederlandse offshore windpark was een complexe opgave en de heiwerkzaamheden konden alleen worden uitgevoerd bij goed weer en een golfhoogte van maximaal één meter. Daarom vond het heiwerk plaats vanaf half april 2006. Dat is ook de tijd van het jaar waarin de aanwezigheid van bruinvissen in het gebied gaat dalen naar een laag zomerniveau. Dat zal hebben bijgedragen aan een lage kans op schade aan bruinvissen als gevolg van het heien. Als tweede maatregel werd de energie bij het heien langzaam opgevoerd en werd voorafgaand steeds een z.g. “pinger” in het water gelegd zodat bruinvissen de gelegenheid werd geboden weg te zwemmen voordat de volledige hei energie werd toegepast. Bovendien was de aanwezigheid van het kraanschip de Svanen, dat al uren voor het heien op locatie aan het werk was, een mitigerende maatregel op zich. Tijdens drie langdurige bezoeken aan de site door de onderzoekers tijdens het heien werden geen bruinvissen gezien (Leopold & Camphuysen 2007) en er was ook geen indicatie dat er als gevolg van het heiwerk in het Offshore Windpark Egmond aan Zee project meer bruinvissen zijn gestrand of gedood dan anders het geval zou zijn geweest.